Terug naar hoofdinhoud

De Weideman: Met koeien in de wei houden we meer fabrieken open

 

Wel eens een moderne zuivelfabriek van binnen gezien? Met kilometers leiding en apparatuur van roestvrij staal en regeltechniek zijn de vaste kosten van zo’n fabriek hoog. Elke zuivelonderneming wil die kosten spreiden over zoveel mogelijk liters melk. Blijft een deel van zo’n fabriek leeg staan, dan prijst de firma zich snel uit de markt. En dus is het momenteel in al die ondernemingen ‘chefsache’ om zoveel mogelijk melk te binden aan de eigen fabrieken. De spanning loopt op, want de verwachting is dat de melkproductie in Nederland daalt. En wie neemt als eerste de kosten voor rekening om een fabriek vervroegd af te schrijven om zo de productie en verwerkingscapaciteit weer in evenwicht te brengen?

Er is in de zuivel een strijd gaande om te bepalen hoe de taart in de melkverwerking de komende tien jaar verdeeld wordt. In het strijdgewoel om de taartpunten is de vraag hoe we een zo groot mogelijke taart overhouden, volledig ondergesneeuwd. Wat houden we over van de veertien miljard liter melk die we nu elk jaar produceren? Gaan we naar twaalf miljard liter melk of naar tien miljard liter melk, een vergelijkbare krimp als nu in de varkenshouderij? Of zakt de melkveehouderij, net als met de visserij gebeurde, helemaal door het ijs en blijft er in Nederland maar ruimte om bijvoorbeeld acht miljard liter melk te produceren? Anders vertaald: moeten we van de 24 grote zuivelfabrieken in Nederland er drie, zeven of tien vervroegd afschrijven?

In alle bescheidenheid denk ik dat het hiervoor nogal wat uitmaakt hoeveel koeien we in de wei hebben! We boeren in een heel druk en heel rijk landje. In 1998 besloten we al dat koeien in de wei daarom een strategisch thema van de sector moet zijn. En het belang is inmiddels nog veel groter geworden. De bevolking is sinds 1998 met 14 procent toegenomen en de economie zelfs met 64 procent! En in 1998 speelden we nog ruimte vrij omdat defensie minder oefenterreinen nodig had. We waren nog niet bezig met de energietransitie, die om zonnepanelenparken en windmolens vraagt en niemand had nog bedacht dat stikstofemissie een belemmering kon zijn om huizen te bouwen.

Wat we al wel doorhadden was dat burgers enorm genieten van het oer-Nederlandse plaatje van koeien in de wei en dat ze minder enthousiast zijn over veehouderij in grote schuren waarvan ze niet zien en niet weten wat daar gebeurt. In dit drukke rijke landje, waarbij het gebruik van elke vierkante meter bij wijze van spreken wordt uitgevochten tot aan de Raad van State, is het best bijzonder dat de melkveehouderij éénderde deel van het grondgebied in gebruik heeft èn dat iedereen daar best content mee is.

Verliezen we ons positieve imago, dan zijn er genoeg kapers op de kust om die ruimte op een lucratieve manier anders in te vullen. En de relatie tussen de hoeveelheid ruimte, de hoeveelheid koeien en dus ook de hoeveelheid melk, zal de komende tien jaar alleen maar sterker worden.

Daarom blijft de strijd om de melk de komende jaren voor elke zuivelfabriek chefsache. Hopelijk vinden we in die strijd toch ook nog wat ruimte om samen op te trekken om de melkplas in Nederland zo groot mogelijk te houden.


We spreken elkaar,

de-Weideman-Def